Nederland was tijdens de coronapandemie gevaarlijk afhankelijk van vrijwillige medewerking, en dat mag nooit meer zo zijn. Dat stelde voormalig minister van Volksgezondheid Hugo de Jonge woensdag bij zijn verhoor door de parlementaire enquêtecommissie corona. De CDA-politicus, tegenwoordig commissaris van de Koning in Zeeland, liet er geen twijfel over bestaan: bij een volgende gezondheidscrisis moet de overheid meer doorzettingsmacht hebben.

Vrijwilligheid schoot tekort
Tijdens de coronapandemie verliep de spreiding van patiënten over het land volledig op basis van vrijwilligheid. Regio’s konden niet worden gedwongen om patiënten over te nemen, ook niet als elders ziekenhuizen overvol waren. Dat systeem had grote zwakheden, erkende De Jonge tegenover de commissie. “We waren nu te afhankelijk van goedwillende mensen in de frontlinie”, zei hij. Bovendien liep de samenwerking tussen regio’s niet altijd soepel, omdat afspraken gaandeweg moesten worden ontwikkeld in plaats van vastgelegd.
Die afhankelijkheid van vrijwillige medewerking geldt ook voor de opschaling van intensivecarecapaciteit. Volgens De Jonge moeten het spreiden van patiënten en het opvoeren van het aantal ic-bedden bij een volgende crisis centraal kunnen worden geregeld. Dat betekent in de praktijk dat de landelijke overheid bindende opdrachten moet kunnen geven aan ziekenhuizen en regio’s, iets wat tijdens corona simpelweg niet mogelijk was. Dat knelpunt leidde tot chaotische situaties op de meest drukke momenten van de pandemie.
Wat er al is veranderd
De Jonge erkent dat er sindsdien stappen zijn gezet. Hij is positief over de oprichting van de Landelijke Functie Opschaling Infectieziektebestrijding, afgekort als LFI. Dat is een centraal coördinatiepunt voor de zogeheten GGD-elementen van de crisisaanpak, zoals vaccinatie en testen. Daarmee is er al één punt waar de regie samenkomt bij een infectieziekte-uitbraak. Echter, de LFI dekt niet alles. De ziekenhuiszorg en de verdeling van patiënten over het land vallen daar niet onder, en juist op die terreinen zat de pijn tijdens de coronacrisis.

Bovendien benadrukte De Jonge dat Nederland minder afhankelijk moet worden van het buitenland voor essentiële middelen. Tijdens de pandemie moesten mondkapjes, vaccins en medicijnen in grote haast worden ingekocht in Aziatische landen. “Daar krijg je moeilijk grip op tijdens een crisis”, aldus De Jonge. Hij pleit er daarom voor dat Europa, en Nederland zelf, meer medicijnen en beschermingsmiddelen gaat produceren. Dat is niet alleen een logistieke kwestie, maar ook een kwestie van nationale veiligheid.
Honderden mensen werkten door in kerstvakantie
Naast zijn pleidooi voor structurele veranderingen blikte De Jonge ook terug op de menselijke tol van de crisisperiode. Hij beschreef hoe hij en honderden medewerkers van het Ministerie van Volksgezondheid tijdens de kerstvakantie van 2020 dagelijks doorgingen. De enige onderbreking in zijn agenda was de middag van Tweede Kerstdag. “Werktijden speelden geen rol, het enige belangrijke was of je het kon volhouden”, zei hij. Daarmee schetste hij het keiharde tempo dat hij van zichzelf en zijn mensen vroeg.
Toch kijkt De Jonge er niet negatief op terug. Hij stelde dat medewerkers achteraf zeggen dat ze nog nooit zo hard hebben gewerkt, maar tegelijk trots zijn dat ze deel uitmaakten van iets wat er werkelijk toe deed. “We moeten zuinig zijn op die mensen”, voegde hij daaraan toe. Dat geldt temeer omdat niet iedereen de druk aankon. Zijn naaste collega Bruno Bruins, destijds minister voor Medische Zorg, viel aan het begin van de pandemie uit door overbelasting. Dat was voor velen een pijnlijk signaal over de grenzen van het crisisbeheer.

Enquêtecommissie onderzoekt coronabeleid
Het verhoor van Hugo de Jonge maakt deel uit van de brede parlementaire enquête naar het coronabeleid. De commissie onderzoekt hoe de Nederlandse overheid de pandemie heeft aangepakt, welke beslissingen er werden genomen en wat beter had gekund. Eerder kwamen al andere betrokkenen aan het woord over communicatie, besluitvorming en de politieke druk die tijdens de crisis bestond. Het verhoor van De Jonge voegt daar nu een specifieke dimensie aan toe: de organisatorische en logistieke tekortkomingen in de zorgketen zelf.
De parlementaire enquêtecommissie corona heeft als taak lessen te trekken voor de toekomst. De verklaringen van De Jonge over centrale aansturing sluiten daar direct op aan. Door te benoemen wat er structureel misliep, geeft hij de commissie concrete aanknopingspunten voor aanbevelingen. Of die aanbevelingen ook daadwerkelijk worden omgezet in wetgeving of beleid, is aan het huidige kabinet.
Gevolgen voor toekomstig crisisbeleid
De oproep van De Jonge raakt een gevoelig punt in het Nederlandse zorgstelsel. Ziekenhuizen en regio’s zijn gewend aan een grote mate van autonomie. Een systeem waarbij de landelijke overheid bij een gezondheidscrisis bindend kan ingrijpen, vereist niet alleen politieke wil, maar ook wetswijzigingen. Daarnaast roept het vragen op over wie bepaalt wanneer zo’n crisisdrempel is bereikt. Toch is de boodschap van De Jonge helder: vrijwilligheid alleen is onvoldoende als de nood echt hoog is.

Bovendien staat het pleidooi voor meer Europese productie van medicijnen en beschermingsmiddelen niet op zichzelf. Ook andere landen en Europese instellingen worstelen met die vraag na de kwetsbaarheden die de coronapandemie blootlegde. Of Nederland hier concrete stappen in zal zetten, en op welke termijn, blijft vooralsnog onduidelijk. De parlementaire enquête biedt in ieder geval een podium om dit debat opnieuw aan te zwengelen, en de verklaringen van De Jonge geven dat debat een duidelijke richting mee.
Bronnen en credits
Bronnen: Ditjes & Datjes, Nieuws.nl







