Wie bij een ramp of noodsituatie rekent op militaire hulp, kan daar voortaan minder zeker van zijn. Defensieminister Dilan Yeşilgöz heeft de Tweede Kamer laten weten dat zij bijna twintig jaar oude afspraken over militaire bijstand aan burgers wil herzien. De reden is helder: bij een gewapend conflict zijn de meeste militairen simpelweg nodig om Nederland en zijn bondgenoten te verdedigen. Wat dat concreet betekent voor burgers en hulpdiensten, werkt de minister nog verder uit.

Afspraken uit 2007 zijn achterhaald
De huidige afspraken dateren uit 2007 en beschrijven de krijgsmacht als een “structurele veiligheidspartner” van de overheid. Op basis daarvan staat Defensie gegarandeerd klaar voor taken als het opruimen van explosieven en het evacueren van burgers uit rampgebieden. Destijds klonk dat logisch: de wereldwijde veiligheidssituatie was anders en Nederland had minder reden om te vrezen voor een direct militair conflict.

Bijna twee decennia later is die context echter ingrijpend veranderd. Door toenemende spanningen in de wereld verschuift de nadruk binnen Defensie steeds verder van civiele ondersteuning naar militaire verdediging. Volgens Yeşilgöz werken gegarandeerde beloftes aan burgers simpelweg niet meer in een conflictsituatie. Daarom wil zij de afspraken aanpassen aan de nieuwe realiteit. De nieuwe regels moeten volgend jaar, in 2027, gereed zijn.

Drie hoofdtaken, maar één staat voorop
De krijgsmacht heeft van oudsher drie hoofdtaken: het verdedigen van het eigen grondgebied, het beschermen van de internationale rechtsorde en het ondersteunen van de overheid bij handhaving en noodhulp. Die derde taak is jarenlang vanzelfsprekend geweest. Militairen ruimden explosieven op, hielpen bij rampen en stonden klaar naast politie en brandweer. Bovendien groeide Defensie de afgelopen jaren, waardoor er in principe meer militairen beschikbaar kwamen voor dit soort taken.

Toch draait Yeşilgöz dat argument om. Omdat de krijgsmacht groeit, zijn er weliswaar meer militairen, maar bij een oorlog heeft Defensie het overgrote deel van die mensen nodig voor de verdediging. Daardoor blijft er voor civiele taken juist minder over dan de afspraken uit 2007 suggereren. De minister schrijft in haar brief aan de Tweede Kamer dat autoriteiten er rekening mee moeten houden dat militairen voor sommige taken “mogelijk verminderd beschikbaar” zijn.

Wat verandert er concreet voor burgers
De minister benadrukt dat de krijgsmacht zich “tot het uiterste blijft inspannen” om burgers te helpen. Toch geeft zij ook duidelijke voorbeelden van wat er in een conflict kan veranderen. Zo kunnen militairen nog steeds explosieven opruimen, maar een niet-urgent explosief, dat geen direct gevaar oplevert, kan langer blijven liggen als de krijgsmacht elders nodig is.

Daarnaast kan militaire hulp bij het beveiligen van mensen en gebouwen onder druk komen te staan. Ook militairen die nu standby staan voor medische hulp of het blussen van branden, kunnen op basis van politieke besluiten worden weggehaald en elders worden ingezet. Kortom: hulpdiensten en andere overheidsorganisaties kunnen niet langer blind varen op de beschikbaarheid van militairen. Dat vraagt om een andere voorbereiding en een breder vangnet.

Defensie wil ook zelf hulp kunnen vragen
Opvallend is dat Yeşilgöz de samenwerking niet eenzijdig wil beperken. Integendeel: Defensie wil in de toekomst ook andere overheidsorganisaties om hulp kunnen vragen. Welke behoefte dat precies is, wordt nog onderzocht. Het idee past in een bredere verschuiving waarbij de overheid als geheel weerbaarder wil worden en organisaties elkaar over en weer kunnen versterken bij crises.

Dit signaal van wederkerigheid is nieuw in het defensiedebat. Jarenlang stroomde de hulp voornamelijk van Defensie naar andere partijen. Nu verkent de minister of die verhouding ook kan worden omgedraaid. Daarmee erkent zij impliciet dat de krijgsmacht zelf ook kwetsbaarheden heeft en in sommige scenario’s afhankelijk kan zijn van andere overheidsdiensten.

Gevolgen voor de rampenbestrijding
Voor veiligheidsregio’s, gemeenten en andere hulpdiensten heeft de beleidswijziging directe gevolgen. Zij bouwen hun rampenplannen deels op de verwachting dat militairen beschikbaar zijn voor specifieke taken. Als die zekerheid wegvalt, moeten zij hun eigen capaciteit versterken of nieuwe samenwerkingsafspraken maken. Dat kost tijd, geld en organisatievermogen, zeker in een periode waarin veel overheidsdiensten al onder druk staan.

Bovendien roept de maatregel vragen op over de communicatie richting het publiek. Burgers verwachten bij een grote ramp of noodsituatie dat de overheid, inclusief het leger, volledig beschikbaar is. Omdat de concrete uitwerking van de nieuwe afspraken nog ontbreekt, is het nu nog onduidelijk hoe groot de praktische verandering zal zijn. De minister heeft aangegeven dat de nieuwe kaders volgend jaar klaar moeten zijn.

Bredere verschuiving in het veiligheidsdenken
De stap van Yeşilgöz past in een bredere Europese trend. Vrijwel alle NAVO-landen heroverwegen de balans tussen militaire inzet voor burgers en militaire inzet voor verdediging. De agressie van Rusland in Oekraïne heeft dat debat versneld. Bondgenoten, waaronder Nederland, beseffen dat zij hun strijdkrachten primair op orde moeten hebben voor wat lang ondenkbaar leek: een gewapend conflict op Europees grondgebied.

In dat licht bezien is de brief van Yeşilgöz aan de Tweede Kamer meer dan een administratieve herziening van oude afspraken. Het is een beleidsmatige erkenning dat Nederland serieus rekening houdt met de mogelijkheid van oorlog. De VVD-minister stuurt daarmee op een fundamentele herprioritering, waarbij de verdediging van het grondgebied niet langer concurreert met de civiele taak, maar die taak naar de achtergrond duwt. De verwachting is dat het nieuwe beleidskader in 2027 formeel wordt vastgesteld, waarna duidelijk wordt hoe groot de praktische gevolgen voor burgers en hulpdiensten precies zijn.
Bronnen en credits
Bronnen: Ditjes & Datjes, Nieuws.nl










