
Kabinet struikelt over eigen schaduw na honderd dagen: ‘De VVD geeft niets cadeau’
Het kabinet heeft honderd dagen achter de rug, maar van een soepele regeringsstart is weinig terechtgekomen. Elke stap vooruit gaat gepaard met interne strubbelingen en oppositiepartijen die de zwaktes genadeloos uitbuiten. Wie hoopte op een stabiel bestuur, komt bedrogen uit.
Een kabinet dat voortdurend moet onderhandelen
De kern van het probleem is structureel van aard. Het kabinet beschikt in de Tweede Kamer niet over een eigen meerderheid en is daardoor gedwongen om steeds opnieuw afspraken te maken met oppositiepartijen. Dat klinkt beheersbaar, maar de praktijk is weerbarstig. Oppositiepartijen stellen eisen, stellen deadlines en laten zien dat ze weinig reden hebben om de coalitie zomaar ter wille te zijn. Bovendien vergt elke buitenparlementaire steun een intern akkoord, en juist dat intern akkoord bereiken blijkt keer op keer een horde te zijn.

De situatie wordt nog ingewikkelder doordat de coalitiepartijen onderling ook regelmatig botsen. Elk dossier vraagt om een dubbele onderhandelingsronde: eerst intern de neuzen dezelfde kant op krijgen, en dan pas de oppositie benaderen. Dat levert een moeizaam en tijdrovend proces op, waarbij de politieke agenda dikwijls vertraging oploopt.
De VVD als struikelblok binnen de coalitie
Binnen de coalitie springt één partij er in negatieve zin uit: de VVD. Volgens NRC geeft de VVD de andere coalitiepartners weinig ruimte en is de partij allesbehalve een gemakkelijke samenwerkingspartner. De liberalen lijken vastbesloten om hun eigen koers te varen en weigeren concessies te doen die hun achterban zouden kunnen afschrikken. Daarmee plaatst de VVD zich herhaaldelijk dwars in het pad van gemeenschappelijke besluitvorming.
Dit intern getouwtrek heeft zichtbare gevolgen. Meerdere dossiers raakten de afgelopen honderd dagen verstrikt in eindeloze afstemming, waardoor concrete besluiten uitbleven. De beloofde voortvarendheid waarmee het kabinet de problemen van Nederland wilde aanpakken, bleef grotendeels retoriek. Dat ondermijnt het gezag van de ministerraad als geheel, ook richting de Kamer.
Een oppositie die de zwakte van het kabinet ruikt
Terwijl de coalitie intern haar zaken niet op orde krijgt, ziet de oppositie haar kans schoon. De oppositiepartijen ruiken bloed, zoals NRC het treffend formuleert, en maken daar gebruik van. In plaats van constructief mee te denken, kiezen zij ervoor om de zwakke positie van het kabinet maximaal uit te buiten. Elke keer dat het kabinet de oppositie nodig heeft voor een meerderheid, worden de voorwaarden strakker en de prijs hoger.
Daarmee belandt het kabinet in een politieke spagaat. Aan de ene kant kan het niet functioneren zonder medewerking van de oppositie. Aan de andere kant maakt elke concessie aan oppositiepartijen het intern akkoord met de eigen coalitie moeilijker. Het resultaat is een aanhoudende patstelling die de slagkracht van het kabinetsbeleid aantast.

Wat de honderd-dagenlijn blootlegt
De symbolische grens van honderd dagen biedt een bruikbaar meetpunt. Traditioneel geldt deze periode als de fase waarin een nieuw kabinet zijn toon zet en laat zien wat het in huis heeft. Voor dit kabinet is die toon er een van voortdurend improviseren. Elk beleidsvoornemen vraagt om zoveel politieke energie dat er nauwelijks ruimte overblijft voor de grote dossiers die Nederland werkelijk bezighouden.
Bovendien tast de aanhoudende strijd de geloofwaardigheid aan van het kabinet bij de kiezer. Burgers die hoopten op een daadkrachtige aanpak van problemen als woningnood, stikstof of koopkrachtverlies, zien een coalitie die drukker is met zichzelf dan met de samenleving. Dat wakkert het ongeduld aan, ook bij partijen die het kabinet aanvankelijk een kans wilden geven.
Coalitiebestuur als permanente evenwichtsoefening
Het bredere patroon is niet nieuw in de Nederlandse politiek. Minderheidscoalities en coalities die afhankelijk zijn van externe steun, kennen altijd extra wrijving. Echter, de mate waarin dit kabinet struikelt, is opvallend. De combinatie van een assertieve VVD, een hongerige oppositie en een smalle parlementaire basis maakt besturen tot een permanente evenwichtsoefening waarbij er nauwelijks ruimte is voor foutmarges.
Bovendien speelt de timing een rol. Hoe langer de politieke impasse aanhoudt, hoe sterker de positie van de oppositie wordt. Partijen die zien dat het kabinet wankel staat, zijn minder geneigd om steun te verlenen zonder zware tegenprestaties. Daarmee dreigt een neerwaartse spiraal: politieke zwakte nodigt uit tot verder uitpersen, wat de zwakte vergroot.
Bestuurskracht staat op het spel
Voor de Nederlandse samenleving zijn de gevolgen concreet. Beleidshervormingen die dringend nodig zijn, lopen vertraging op. Begrotingskeuzes blijven in de lucht hangen. Bovendien ontstaat er een gevaarlijk vacuüm: als het kabinet zijn eigen beleidsprogramma niet waarmaakt, groeit de ruimte voor populistische alternatieven aan zowel links als rechts.
Het kabinet heeft de komende maanden de kans om te laten zien dat het meer is dan een wankele constructie. Daarvoor is echter een koerswijziging nodig, zowel in de omgang met de VVD als in de strategie richting de oppositie. Zolang die omslag uitblijft, geldt de beschrijving van NRC als de meest nauwkeurige samenvatting van dit politieke tijdperk: één stapje voorwaarts, en dan weer twee naar achteren.





